Uit de geschiedenis van Holland: Hollandse steden<< Terug naar Nieuws overzicht

In zijn driedelige blog Uit de geschiedenis van Holland blikt Piet Vernimmen terug op bijzondere gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. Dit ter voorbereiding van de prachtige muzikale show MISSA: Over het onstaan van Holland, van Haags orkest Música Extrema op zondag 26 mei.

Als op 27 april 2019 de NOS het koninklijke bezoek aan Amersfoort verslaat, ziet heel Nederland enthousiast publiek met oranje mutsen op – mutsen met daarop een koninklijk kroontje en het woord ‘Holland’. In Amersfoort! En bij een belangrijke sportwedstrijd in het buitenland scandeert de oranje aanhang “Holland, Holland, Holland!” Maar als een gedeelte van die aanhang in Brabant woont, spreken die Brabanders tien dagen later over Hollanders in termen als “betweters, arrogant volk, mensen die zich meer voelen dan ze zijn.” Maar Brabanders, Zeeuwen, Groningers en Friezen kijken trouw naar “Heel Holland Bakt”. We zijn een raar volk, wij Nederlanders.

Terug in de tijd

Sinds het midden van de 19e eeuw kennen we twee provincies Holland: Noord-Holland en Zuid-Holland. Vóór 1840 hebben we, met wat wisselingen, één gewest, namelijk Holland.

Holland maakt na de 80-jarige oorlog (1568-1648) deel uit van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. En dat niet alleen: het is binnen die groep het belangrijkste gewest. De vertegenwoordigers uit het gewest Holland vergaderen in Den Haag. Die afgezanten komen uit de Hollandse steden zoals Dordrecht, Haarlem, Amsterdam en Rotterdam. Maar ook kleinere steden zoals Schoonhoven, Medemblik of Brielle hebben een vertegenwoordiging. Achttien steden in getal. Den Haag ontbreekt daar, want dat is geen stad.

Tussen het jaar 1000 en 1648

Het gewest (graafschap) Holland is tussen 1000 en 1648 qua oppervlak grofweg vergelijkbaar met de omtrekken van de huidige twee provincies. De Zuid-Hollandse eilanden horen er niet bij, want die maken deel uit van Vlaanderen. En in het noorden horen Terschelling en Ameland niet bij Friesland, maar bij Holland.

Het gewest Holland maakt deel uit van het Heilig Roomse Rijk (van het huidige Nederland en België in het westen tot Oostenrijk en een deel van Tsjechië in het oosten) maar in de praktijk deelt de graaf hier de lakens uit. Voor al zijn inkomsten is de graaf afhankelijk van zijn onderdanen. En de inwoners van de steden spelen daarin een belangrijke rol.

Ontstaan van steden

Steden ontstaan vaak op strategische plekken in het landschap: op een  kruispunt van belangrijke wegen of langs bevaarbare rivieren. Dát zijn de plaatsen van waaruit je handel kunt drijven, plaatsen van waaruit je het achterland van goederen kunt voorzien en van waaruit je de regionale goederen naar andere plaatsen kunt vervoeren. Bovendien kun je de goederen hier in stapelhuizen bewaren.

Een win-win situatie

De graven verblijven niet voortdurend in één stad, maar het hof reist rond in het gebied en doet daarbij een aantal vaste plaatsen aan. De grafelijke plaatsen, een stuk of tien, krijgen vaak extra privileges, zoals tolrecht of ze krijgen meer zelfstandigheid binnen rechterlijke zaken. Ze mogen markten organiseren, ze mogen stadsmuren bouwen of ze krijgen een functie als militair steunpunt. Het zijn in feite allemaal zaken die bevorderlijk zijn voor de economie en de welvaart van zo’n plaats. En ook voor de graaf is zo’n steunpunt een geruststellende gedachte: niet alleen koopt hij daarmee trouw af, maar privileges zorgen voor welvaart en als gevolg daarvan kan de graaf belastingen innen. Als stedelingen eenmaal belasting betalen, is het logisch dat zij dan ook mee willen beslissen wat er met dat geld gebeurt en steden worden dan ook regelmatig uitgenodigd om mee te praten in de grafelijke raad.

Zelfbestuur

Steden zijn, net zoals de dorpen en de losstaande bebouwing in de velden, eigendom van de graaf. Maar de burgerij in de steden eist na verloop van tijd meer zelfstandigheid, zij willen eigen rechtspraak en willen de mogelijkheid om eigen belastingen te heffen. Kortom: de burgerij krijgt meer macht en ten koste van de macht van de adel.

Die laatste schenkt na enige tijd geen privileges meer, maar de steden eisen voorrechten op en ze kopen van de adel de stadsrechten. Binnen de steden maken aan het eind van de 16e eeuw de schout (veelal van adel) en de schepenen (de burgers) de dienst uit. De stad zelf krijgt militaire en politieke macht. Niet bij elke stad gaat het zo, maar in de loop van de geschiedenis is dit in Holland vaak de ontwikkeling.

Jacoba van Beieren

Een opmerkelijke dame in dit machtsspel is gravin Jacoba van Beieren die leefde van 1401-tot 1436. Zij was van 1407 tot 1433 in functie. Op haar hoeft geen mens jaloers te wezen: ze is haar leven lang een (nationale en internationale) speelbal van gewiekste en machtiger mensen. Op 5-jarige leeftijd is ze uitgehuwelijkt en in 1415 wordt dat huwelijk voltrokken. In haar 35-jarig leven trouwt ze vier maal. Door tal van oorzaken verhevigt tijdens haar leven de strijd tussen de Hoeken en de Kabeljauwen. Kort door de bocht gezegd is het een strijd tussen de edelen, maar waar de steden bij worden betrokken. Voor menig deelnemer is het een ordinaire machtskwestie: steden en edelen willen allebei meer macht.

Voor Jacoba eindigt de strijd ermee dat ze al haar bezittingen moet afstaan aan leden van het Bourgondische Huis (de beroemde Zoen van Delft) drie jaar voordat ze aan de tering overlijdt.

Geen ingewikkelder ‘burgeroorlog’ dan de Hoekse en de Kabeljauwse twisten, geen ongelukkiger leven dan dat van Jacoba. Hier ligt een mooie taak voor Paul Verhoeven of, liever nog, voor Marleen Gorris.

Piet Vernimmen